Toekomst alleen voor “pure players”?

De jaarlijkse ‘Webwinkel Vakdagen” in de Jaarbeurs mogen zich beslist tot de best bezochte evenementen rekenen. Duizenden bezoekers zorgen voor heuse files rond én in Utrecht, en zelden heb ik de parkeerplaatsen zo vol gezien. Alleen, zo vraag ik me af, wát brengt al die mensen daar, wat zoeken ze er en wat zijn hun verwachtingen?
En vooral, waar dient het allemaal voor?

Nieuws
Tja, dát is wat velen daar zoeken, nieuws en nieuwigheden waarmee je je nog meer op dat internet kunt verdienen. Als je daar voor het eerst komt, is er ook veel nieuws, uiteraard, maar voor regelmatige bezoekers zoals ik er één ben, valt het toch allemaal wat tegen. Honderden stands, maar veel van hetzelfde, zoals bij vakbeurzen gebruikelijk.
Natuurlijk zijn er voor kenners wel de nodige ontwikkelingen te observeren. Zo is er meer aandacht voor het feit dat ook web verkoop pas zoden aan de dijk zet als er betaald wordt. Nieuw zijn ook de diverse samenwerkingsverbanden tussen leveranciers én tussen we winkeliers, culminerend in betrouwbare en vrij beschikbare productinformatie van Icecat en de complete virtuele modestraat van Fashionchick. Stad.nl doet dan weer denken aan ‘Second Life’, leuk bedacht, maar levert het wat op? Dan is het weer merkwaardig dat ik in dat bonte gewemel een stand mis van de HBD over hun grote project ‘Het Nieuwe Winkelen’ waarover wél een heel stuk in het januarinummer van Retailtrends staat. Maar het gros van alle aanbieders is toch gericht op het ontwikkelen en hosten van webshops, de realisatie van logistieke trajecten en, zoals gezegd, de betalingsproblematiek van webshops.

Waar blijven de winkels?
Nou, buiten de uitpuilende lezing van Cor Molenaar die onze winkels wil redden, was ‘de winkel’ als zodanig praktisch buiten beeld. Alles en iedereen op die vakdagen lijkt gericht op verdere expansie van de webwinkel als distributiekanaal voor goederen en diensten. Dát snap ik nu helemaal niet in een tijd dat de enige werkelijke expansie voortkomt uit de webwinkels van bestaande (fysieke) winkelketens. De branche rapporteert elk jaar juichend wéér verdere marktverovering, maar dat gaat steeds vaker over kannibalisatie van de ‘winkelwebshop’ op de fysieke winkels van de betreffende formule.
Het droevige van dit verhaal is dat niemand, in de web wereld niet én in bestaande winkelketens ook niet, blijkbaar door heeft dat het exploiteren van een keten van fysieke winkels én een webshop naast elkaar gewoon geen toekomst kan hebben. De winkelketen denkt de omzetproblemen door minder klantenbezoek op te lossen door het exploiteren van een webshop, maar daarmee hebben ze er alleen een probleem bij gekregen. Natuurlijk realiseert die webshop de nodige omzet, maar wel tegen extra kosten, en, uiteraard, deels ten koste van de omzetontwikkeling in hun fysieke winkels. Zonder dat er dáár een kostenverlaging tegenover staat.
Daarbij, vrijwel elke webshop toont slechts een klein deel van de collectie van de fysieke winkels, zodat ook het merkbeeld van de formule als geheel niet wordt versterkt. Bij de HBD activiteiten, die volledig op winkelcentrumniveau zijn gericht, is dat laatste nog sterker het geval.

Winkels en webshops
Toen ik een paar jaar geleden beweerde dat winkelketens het zonder webshops nog geen vijf jaar zouden uithouden werd dat als een boute bewering gezien. Maar de praktijk wijst uit dat vrijwel alle grotere en kleinere winkelketens al een webshop hébben en, vooral via metaprojecten als dat van het HBD, dat zal binnenkort ook voor de meeste zelfstandige winkels gelden.
Maar daarmee heeft de winkelier zich wel aangepast aan dat ‘Nieuwe Winkelen’, maar is hij nog geen ‘Nieuwe winkelier’. Die, en daarover gaat het in vrijwel alle bijdragen op dit blog, integreert zijn fysieke winkelformule zo met zijn webshop, dat er geen sprake meer is van de gescheiden operaties die op dit moment bestaan. Omnichannel retailing is méér dan winkel én webshop, en het is zeker ook meer dan een webshop met fysieke winkels, de showroomfunctie die vooral door Cor Molenaar wordt gepropageerd. Omnichannel heeft niets te maken met centrale afhaalpunten langs onze snelwegen, en maar weinig met het afhalen van Bol.com bestellingen bij Albert Heijn vestigingen.

Werkelijke besparingen zijn alleen met volledige integratie te bereiken, met daarbij een hernieuwde focus op de vraag van specifieke klantengroepen. Specialisatie in kleine winkels waar het gezamenlijke assortiment in winkel én webshop samen veel dieper, en méér gericht op de gekozen klantengroep, is dan met winkel én webshop ooit mogelijk zal zijn. Het vereist een herijking van het eigen Retail Concept, zoals dat door Berman en Evans is geïntroduceerd.
Ook is er, op een kleiner oppervlakte, veel meer ruimte voor activiteiten die de beleving van die klanten moet versterken, met toepassing van de mogelijkheden die Carin Frijters zo knap beschrijft in haar boek ‘Prikkel de koopknop’ en waarover zelfs een heuse ‘Mastercourse’ wordt georganiseerd. En dat allemaal zonder dat die klant een merkbare overgang ervaart tussen fysieke winkel en webshop.

Retail 3.0
Ook retail 3.0 is, conform mijn definitie uit ‘Marketing voor Retailers, 2e editie’ gewoon retail: “Het samenstellen en aanbieden van op de consumentenbehoefte afgestemde, vraagverwante, assortimenten, in een daartoe passende aanbodomgeving”. Die ‘aanbodomgeving’ is binnen Retail 3.0 wel een nieuwe, volledig geïntegreerde, bricks & clicks winkelformule. Daarin maakt het niet uit of de consument zich oriënteert in winkel of webshop, of hij koopt in de fysieke winkel of via de webshop, en al helemaal niet of hij het laat bezorgen, of het afhaalt in de eigen winkels, of elders, bij een Primera, Spar of Coöp. Want in Retail 3.0 maakt het immers niet zoveel uit waar de klant woont!
Zover zijn winkels en winkelketens nog niet.

Webwinkel Vakdagen
Het wordt tijd dat de vele standhouders op de Webwinkel Vakdagen zich realiseren dat succesvol werken binnen Retail 3.0 een “Umwertung aller Werte” inhoudt. Een paar stands (o.a. Clicks in Bricks) tonen dat ze zich deze nieuwe mogelijkheden realiseren. Zelf hoop ik dat ook financiële specialisten volgend jaar geïntegreerde betalingsoplossingen bieden, logistici inmiddels duidelijk is geworden dat Omnichannel iets anders is dan een magazijn erbij, dat “Marketing” betekent dat je inzicht moet hebben in totale Retailconcepten en dat Webwinkels één logisch geheel moeten vormen met en binnen de fysieke winkelomgeving.
We zullen zien, volgend jaar, wanneer ik misschien toch maar eens de trein probeer!

Breestraat zoekt zinnige samenhang

Deze keer geen blog van mezelf, maar een artikel dat Annet van Aarsen en Binnert Glastra maakten voor het Leidsch Dagblad. Daarvoor werden, op een ijskoude zaterdagochtend, drie specialisten geïnterviewd, ex-stadsbouwmeester Donald Lambert, archeoloog Tom Hazenberg, en ikzelf, als retailspecialist. Het is een fraai ogend, paginagroot artikel geworden.
Een artikel ook dat voor veel van onze historische stadscentra geschreven zou kunnen zijn:

De Breestraat in Leiden krijgt eindelijk de door winkeliers zo vurig gewenste opknapbeurt. Het kan een paar jaar duren –het is nog niet zeker of alles onmiddellijk kan- maar ze zijn blij met de toekomst die de gemeente ze voorspiegelt. Die omvat bankjes, bomen, klinkers in plaats van asfalt, veel minder bussen en een maximum snelheid van 15 kilometer per uur. We legden het plan voor aan drie deskundigen: voormalig stadsbouwmeester Donald Lambert, detailhandelsspecialist Reinder Koornstra en archeoloog Tom Hazenberg.
“Je kunt er van alles bij bedenken, behalve dat dit hier dé straat van Leiden is.” Boem, die staat. Vanaf het Kort Rapenburg de Breestraat in kijkend, is er voor Reinder Koornstra ook weinig reden iets anders te zeggen. Het is er chaotisch, onoverzichtelijk en luidruchtig. Voor de detailhandel specialist niet bepaald de ideale entree tot een succesvol winkelgebied in een prachtige historische binnenstad.
En dat kan het wel degelijk zijn, vinden hij en de twee andere deskundigen. Ze zien zelfs veel mogelijkheden en geloven best in de voorgenomen opknapbeurt, vinden ook dat de gemeente op de goede weg is. Maar ze hameren erop dat het niet op zichzelf moet staan, niet meer dan een beginnetje. Rust, voortdurende inzet van ondernemers en samenhang met de rest van de stad, dáár gaat het om.
“Een groot probleem is –en op de tekeningetjes hebben ze die natuurlijk weggelaten- die bebórding. Het is ervan vergeven. Dat maakt zo’n straat helemaal kapot en ordinair”, zegt Donald Lambert. “Ook reclameborden. Die moeten niet uit de gevel steken. Winkeliers noemen zoiets natuurlijk broodroof, maar een mooie straat maak je samen.”
Als dat lukt, dan wordt de Breestraat niet alleen rustiger en dus aangenamer om te zien, maar lonkt zelfs de ambiance van weleer, denkt Lambert. “Kijk, de parallellen van de Rijn zijn van oudsher de dragers van Leiden. De Breestraat was de voorname, chiquere kant. Dat is nu lastiger dan vroeger, want er zit een soort tegenstrijdigheid in met het moderne winkelgebruik. Winkeliers willen eerder een soort kris-kras van winkelend publiek. Het is nu ook een beetje een ratjetoe. Nu wordt er een hoop rust in de straat gebracht. Dat is natuurlijk nog maar de helft van de operatie, maar ik denk wel dat het effect groot genoeg zal zijn om ervoor te zorgen dat de Breestraat inderdaad weer chiquer wordt. Al kost dat een jaar of vijf, zes, daar reageert de markt dan wel weer op.”

Diezelfde markt –de winkeliers- moet daarna echter niet achteroverleunen, maar zich volledig inzetten er een succes van te maken, zegt Koornstra. “Wat je vaak ziet, en nu lijkt de gemeente daar weer in te stinken, is dat ze winkeliers alleen maar gaan vragen wat ze willen en dat dan gaan regelen. Maar als winkeliers willen dat mensen langer in de Breestraat vertoeven, dan moeten ze dat zélf doen. Alleen een opknapbeurt ziet er wel mooi uit, maar dat wordt helemaal niks.”
“Winkeliers moeten gaan meedoen. Er wordt van alles en nog wat georganiseerd in Leiden, maar je ziet dat de winkeliers het gewoon niet dragen. Daar moeten ze meer mee doen. De beleving die de mensen hebben van de stad moet doorgaan in de winkels. In álle winkels. Ik bedoel, hoeveel winkeliers hebben in 2011 nou echt iets gedaan met het Glazen Huis? Dat moet je een retailer dus vertellen, hoe hij met dat soort activiteiten geld kan verdienen in zijn zaak. Want dat is het enige wat hem interesseert.”
“Probleem is, dat winkeliers klanten vaak alleen maar zien als mensen die iets kopen. Maar een klant die niet in de stad loopt, komt ook je winkel niet in. En in stadhuizen doen ze vaak alsof winkelen hetzelfde is als boodschappen doen. Dat is niet zo. Je komt om een leuke middag te hebben en dat red je niet met alleen winkels. Je moet er voor zorgen dat mensen, ook als ze geen geld hebben om iets te kopen, toch een doel hebben om naar de binnenstad te gaan.”

Samenhang
“Een mooie straat waar je niks mee doet, is ook niks. Je kunt ook heel veel lol hebben in een lelijke straat”, stelt ook Hazenberg. Een opknapbeurt is een mooi begin, maar een succes wordt het volgens de drie deskundigen pas als er samenhang is in het hele Leidse winkelgebied. “De stad hangt vol met de posters van lieve, vriendelijke mensen die allemaal heel gave, leuke dingen doen. En je ziet ook altijd wel twee of drie groepjes met gidsen van Het Gilde lopen”, zegt Hazenberg. “Het hoeft helemaal niet zoveel te kosten, denk ik, maar stimuleer al die initiatiefjes, breng ze met elkaar in contact, zorg dat de winkeliersverenigingen meedoen. Dan kun je een eenheid vormen en dat is veel belangrijker dan nieuwe steentjes neerleggen.” De gemeente zou bovendien meer kunnen en moeten doen met ‘het verhaal’ van de stad, vindt Hazenberg. Samenhang daarin ziet hij nu alleen in de beleidsnota’s en visies van de gemeente. “Ik bedoel, je staat hier gewoon op de oude Romeinse rijksgrens. Elke dag weer, maar je weet het nooit. Waarom dat niet gewoon hier op de Breestraat vertellen?”
Een derde vorm van samenhang die beter kan, is het stratenpatroon. Verbindende steegjes verdienen volgens Hazenberg veel meer aandacht. “Die zijn zo fijn om in rond te lopen en te rommelen. Als je daar niks mee doet, dan ben je niets aan het doen. Er moet zinnige samenhang zijn. Zorg voor leuke rondjes. Het moet lekker zijn hier rond te lopen. En je moet mensen in Leiden ook lokken naar alles wat er achter die winkelstraten ligt. Juist in dat gebied maakt de historie het slenteren en winkelen zo aantrekkelijk. Ik denk dat dát eigenlijk nog belangrijker is.”

Nu nog actief gebruikmaken van de mogelijkheden van het internet, voor winkels, winkelstraat én stadscentrum, en dan zal ook Leiden wel weer opkrabbelen. Of blijven we denken dat onze winkelcentra afsterven en iedereen alleen nog maar koopt door een paar knopjes in te drukken?

Die 177e plek op de CBS tabel diversiteit zegt HELEMAAL NIETS

De problemen rond de aantrekkelijkheid van de centra van kleinere steden zoals Alphen aan den Rijn, Gouda en Woerden zijn algemeen bekend. Daarom is elke tabel, waarin deze steden voorkomen direct een hot item. Zo ook het recente lijstje over diversiteit van het CBS. Voor mij is ook dit lijstje weer een bevestiging van mijn bekende scepsis ten aanzien van lijstjes, en de aandacht voor de plaats daarop. Niet ten opzichte van het CBS zelf, overigens.
Het is niet voor niets frontpaginanieuws voor dagblad AD/Alphen op de vroege maandagochtend van 8 januari.
Helaas wordt impliciet een rechtstreeks verband gelegd tussen diversiteit in bewinkeling, en de aantrekkelijkheid als stadscentrum. Toen ook ik daarover werd geïnterviewd, kwam ik al snel tot de conclusie dat je zoiets ingewikkelds als de aantrekkelijkheid van een winkelcentrum niet in een paar antwoorden kunt beschrijven:

CBS tabel diversiteit
Het Centraal Bureau voor de Statistiek doet elk jaar onderzoek naar welke buurt de bezoekers de meeste diversiteit aan branches biedt. Uit dat onderzoek blijkt de binnenstad van Haarlem veruit het meeste (68 van de 81 door CBS gekozen branches) te bieden, en scoort Lelystad op plaats 485, met slechts 30 branches van de 81, als minste. Binnen het Groene Hart spelen Gouda (plaats 43) en Woerden (64) nog mee, maar zijn Alphen aan den Rijn (177) en Zoetermeer (147) niet meer dan schamele middenmoters. Bodegraven (425), met overigens een prachtig verhaal in dezelfde krant, zit in de onderste groep, de kleinere kernen in het Groene Hart worden niet eens meegeteld.

Wat is diversiteit?
Het CBS definieert diversiteit als het MINSTENS ÉÉN KEER voorkomen van een branche uit hun tabel! Daarbij wordt met een aantal zaken géén rekening gehouden:
• Het aantal verschillende winkels binnen de dezelfde ‘branche’ is binnen een stadscentrum beslist groter dan binnen een dorpscentrum.
• Veel winkels voeren artikelen uit verschillende branches, maar gewoonlijk (ook het CBS zal dat doen) telt de artikelgroep die voor minstens de helft van de omzet zorgdraagt.
• Diversiteit zegt op deze manier ook niets over de ‘kwaliteit’, of zelfs van het aanbod van een winkelcentrum.
• Er wordt in het geheel geen rekening mee gehouden dat er verschillende typen winkelcentra zijn met sterk verschillende functies voor de consument.
• Een winkelcentrum is méér dan winkeltjes in een winkelstraat, stelde ik al in 2005 in Marketing voor Retailers. Gerard Groener, de CEO van Corio, stelde nog zaterdag in het AD: “Een groot winkelcentrum van de toekomst is meer dan een rij winkels met een dak erover heen”. Horeca, diensten, cultuur, overheid én parkeerruimte moeten er bij elkaar voor zorgen dat élk winkelcentrum een ‘place to be’ wordt voor de consument.
• De sterk groeiende rol van het internet, webshops, en WIFI komt zelfs helemaal niet aan bod). Laat staan de trends naar specialisatie én vergroting van de doelgroep door het juist toepassen van de mogelijkheden van het internet. Zoals dat op deze site uitgebreid is besproken.

Diversiteit in winkels is niet gelijk aan diversiteit in aanbod
Bij een recent onderzoek in Vestingstad Hulst (plaats 388) kwam ik er achter dat de slechts 33 ‘branches’ in de Binnenstad (Hulst heeft vrijwel ál haar foodaanbod buiten de wallen liggen) er wel voor zorgden dat de door mij gedefinieerde 47 (sub) branches, inclusief horeca, in totaal 157 maal werden aangeboden. Kortom, veel winkels vangen het ontbreken van een speciaalzaak op door er branchevreemde assortimenten bij te nemen. Ook in relatief kleine dorpen is zo in feite alles te krijgen, mits je minder eisen stelt aan de keus in merken en prijsniveau. De ‘speciaalzaken’ zijn er minder gespecialiseerd. Maar in de tabel van het CBS scoort elke winkel maar één keer.
Maar ook in grotere centra kan verwarring optreden. Want een HEMA biedt al jaren van alles en nog wat, maar profileert zich de laatste jaren steeds meer als city-supermarkt. Maar in de CBS grafieken komt het bedrijf niet als supermarkt voor. Aan de andere kant is een Albert Heijn XL steeds meer een HEMA geworden, maar telt niet als warenhuis mee. Winkelketen Kruitvat wordt nog steeds meegeteld als drogisterij, maar verkoopt van alles en nog wat. Dat is nóg erger bij winkels als ACTION of zijn kloon Grand Bazar. Zeeman zit in dezelfde branche als Primark, maar kan er 20x in! Kortom, wat statistisch is neergelegd is niet wat een klant in de praktijk mag verwachten.

Verschillende functies voor verschillende centra
Binnen een ‘verzorgingsgebied’ zien we winkelaanbod van verschillend niveau, van buurt (dorps) super tot grote-stadscentrum. Daartussen zitten dorpscentra, buurtcentra, wijkcentra en (kleine- en middelgrote) stadscentra. De bedoeling is dat de consument voor zijn dagelijkse behoeften terecht kan in de directe omgeving (ook goed voor het milieu), en dat hij/zij voor “recreatief winkelen” in de centra van onze steden terecht kan. Het toppunt vormt dan natuurlijk wel een bezoek aan één van onze grootste steden. Daarnaast, zoals iedereen weet, hebben we centra voor grootschalige detailhandel (bouwmarkten, e.d.) en centra met een speciale functie (Meubelpleinen, Factory Outlet Centers, MegaMalls, maar ook IKEA). Voor meer informatie, zie: ‘Marketing voor Retailers, tweede editie). Het is dan ook maar de vraag of sommige Stadscentra niet TEVEEL branches herbergen die de sfeer voor recreatief winkelen meer storen dan bevorderen. Zeker in Alphen aan den Rijn!

Diversiteit is maar één aspect van Aantrekkelijkheid
Zelf meet ik in onderzoek altijd op de aspecten:
• BREEDTE, het aantal artikelgroepen binnen een winkel, het aantal ‘branches’ binnen een winkelcentrum, zoals het CBS dat vastlegt
• DIEPTE, de keus in merken en prijsklassen binnen een artikelgroep en in winkels binnen een bepaalde ‘branche’ in dat winkelcentrum
• HOOGTE, het prijsniveau van de winkel, in vergelijking met het gemiddelde binnen het winkelcentrum, en van het winkelcentrum in vergelijking met andere in dat verzorgingsgebied.
• NIVEAU, de mate waarin de winkel past bij de ambitie van het centrum als geheel
• UITSTRALING, de mate waarin de winkel in alle opzichten het GEWENSTE imago van het winkelcentrum ondersteunt
Uit dít rijtje is al snel duidelijk dat het CBS lijstje alleen het éérste aspect betreft. Daarbij tel ik altijd mee de horecasector, het aanbod van dienstverleners (Banken, maar ook kerken), het cultuuraanbod en overheidsdiensten. En natuurlijk de beschikbaarheid van vrij internet (WIFI), naast voldoende, liefst gratis, parkeergelegenheid. Tenslotte zijn ook andere activiteiten (markten, evenementen, manifestaties) op welke schaal dan ook belangrijk om van een centrum ook een ‘place to be’ te maken, of, zoals Corio dat noemt: ‘Favorate Meeting Places’.

Wat is aantrekkelijk?
Zoveel mensen, zoveel zinnen, zegt het spreekwoord. In veel dorpen stellen retailers al snel dat er met een aantal winkels in dezelfde branche er wel voldoende keus is. Nou, dát is maar de vraag. Want verschillende (doel)groepen consumenten stellen elk andere eisen aan de producten en diensten die ze kopen, en, om het ingewikkeld te maken, verschilt dit ook nog sterk per productgroep. Jongeren en ouderen, tweeverdieners en huisgezinnen, professionals en amateurs, ze stellen allemaal andere eisen. En het winkelcentrum wil eigenlijk aan alles tegelijkertijd voldoen.
Dát is in de praktijk onmogelijk, en dus moet er gekozen worden. Ondernemers en gemeente moeten samen een uitgangspunt bepalen voor de verschillende winkelcentra: Wat willen we zijn, en voor wie? Het antwoord op die vraag (Het Anker) betekent tegelijkertijd wat er de komende jaren in die winkelcentra moet gebeuren.
Wat dat betreft is het interview met Gerard Groener een ondersteuning voor deze site. Hij komt vanuit een heel ander perspectief tot eenzelfde conclusie over waar winkelcentra, dus ook stadscentra, aan moeten gaan voldoen. Want ook de beste winkelformule faalt op de verkeerde plek! En teveel winkelformules op de verkeerde plek betekent dat die plek zelf (het winkelcentrum) ook faalt.
Dát is het probleem van kleine en middelgrote steden als Alphen aan den Rijn, Gouda en Woerden!

Concurrent Internet?

Bruna
Deze week meldde Bruna trots dat zij, en zij alleen, in staat zijn een boektitel te maken en te breken. De woordvoerder zal wel teveel champagne gedronken te hebben om zich te realiseren hóe arrogant zoiets klinkt. Want ooit zei een Bruna franchiser tegen me dat in het relatief kleine stadscentrum letterlijk zijn HELE aanbod in minstens vijf winkels te koop was. Kortom, als meneer Bruna vindt dat bepaalde boeken NIET moeten worden gelezen, gewoon omdat Bruna daar te weinig aan verdient, dan kunnen consumenten dus overal elders terecht.

Het zijn Retailers die E-tailers doen groeien
Maar de praktijk van deze arrogantie is nóg ernstiger. Als uitgevers tot de conclusie komen dat zij hun boektitels niet langer winstgevend via fysieke winkels kunnen afzetten, zullen ze gedwongen worden hun schroom ten aanzien van E-books en E-tijdschriften te overwinnen. Een gedachtegang die in het smartphone- en tabletgekke Nederland niet onlogisch is. Als die uitgevers zich tegelijkertijd realiseren dat ze op deze manier veel en veel goedkoper kunnen werken, zouden ze zich bij het maken van papieren boeken steeds meer kunnen concentreren op die uitgaven die een duidelijke meerwaarde hebben bij het publiek. En als Nederland zich massaal op E-books en E-tijdschriften gaat storten, waar blijft Bruna dan? De keten jaagt toch zijn eigen klanten én zijn eigen leveranciers het internet op?
Eenzelfde éénzijdige gedachtegang speelt ook met betrekking tot de ontwikkeling van winkelcentra. Natuurlijk weten we al jaren dat de belangstelling van de consument voor de centra van middelgrote steden terugloopt. Ik heb, op deze site, al vaker aangereikt wat daarvan de oorzaak is, en hoe je dat kunt veranderen. Maar blijkbaar is het veel gemakkelijker om de ‘schuld’ van die situatie maar aan het internet te geven. Dit ondanks het feit dat die trend al is ingezet toen dat internet nog helemaal niets voorstelde.

Stadscentra zijn vooral Dorpscentra
Nee, die ‘Stadscentra’ zijn, uitzonderingen daargelaten, in de praktijk gewoon lukraak vergrote dorpscentra waar zoveel ‘convenience’ goederen te koop zijn dat de sfeer voor recreatief winkelen gewoon ontbreekt. Geen sfeer, geen beleving, en dus geen ‘winkelende’ klanten. Die verdwijnen wel naar échte winkelcentra, in de grote steden. Hoewel dat laatste natuurlijk een statistisch bewezen feit is, wil men maar niet aan wennen aan het idee dat er iets fundamenteel verkeerd zit met de functie van die kleinere stadscentra in hun verzorgingsgebied. Dat zijn gewoon niet de A1 locaties waarvan velen jarenlang droomden. Een verlaging van de huurprijs is dan wel logisch, maar zal niet veel helpen.
Het feit veel dorpen de laatste jaren juist wel hebben geïnvesteerd in hún dorpscentrum, maakt de situatie voor de stadscentra alleen maar slechter. Immers, waarom zouden die dorpelingen nog gaan winkelen in een middelgrote stad? Daar vinden ze toch niets wat ze ‘thuis’ niet hebben, alleen meer van het hetzelfde. Als consumenten wat anders willen moeten ze óf naar een écht grote stad, óf naar een grootschalig winkelcentrum, óf misschien naar de gewenste Megamall in Geldermalsen? Dáár komt gegarandeerd niet méér van hetzelfde! Zoals dat in het buitenland (Centr’O bij Oberhausen, Wijnechem bij Antwerpen) immers ook al het geval is!

Actieve Inertie in plaats van Innovatie
Maar daarnaast groeit de E-tailer. Niet vanwege het geweldige aanbod, of de fantastische service, en zelfs niet om de lage prijzen. Maar gewoon omdat de gevestigde retailsector, geruggesteund door conservatieve organisaties en onwetende politici, zich ABSOLUUT niet wenst aan te passen. Daarom is er nog nauwelijks sprake van de ‘Nieuwe Retailer’ waarover het op deze site gaat. Nog altijd wordt de eigen webshop gezien als een verdediging tegenover de ‘pure players’ die dat spelletje natuurlijk veel beter beheersen. Nog altijd staat de fysieke winkel centraal, en wordt er van alles en nog wat bijgehaald om die verouderde manier van denken overeind te houden.
Op het niveau van winkelcentra is het al niet anders. Niemand is bereid om wat op te geven, teneinde uiteindelijk meer over te houden. Het resultaat moet anders, maar zonder verandering! Men bijt zich hardnekkig vast in de oude ‘manieren’ en de oude opvattingen en verstookt daarmee een groeiende hoeveel geld en intellect. Het proces dat ik al eerder schetste als het Actieve Inertie principe van auteur Donald Sull. Helemaal daarmee in lijn is de verhoogde inspanningen op het terrein van activiteiten en publiciteit. Dat lijkt, op korte termijn tenminste, meer klanten aan te trekken, maar verandert natuurlijk niets aan het werkelijke probleem. Waar exploitanten dat wél inzien, zoals in het Stadshart van Amstelveen (meer in ‘Dertigduizend winkels’), krijgen ze problemen met de gevestigde retailvormen, op elk niveau. Terwijl het enige doel is dat Amstelveense Stadshart ook werkelijk te laten functioneren als Stadshart. Daarbij zal het inderdaad nodig zijn om naast een ingrijpende verbouwing, ook afscheid te nemen van winkelformules die NIET passen in dat concept. Logisch, maar ook hier grijpen de winkeliers liever naar meer toeters en bellen, dan naar vergroting van de intrinsieke kwaliteit als stadshart.

Voorbeeld: Alphen aan den Rijn
In één van die bedreigde stadscentra, Alphen aan den Rijn, probeert men nog steeds, met mán en macht, op basis van plannen van twintig jaar geleden een vergroting van het Stadshart te realiseren. Terwijl sinds een eerdere upgrade in 2004 het bezoek alleen maar is gedaald! Waar consolidatie, herstructurering en vernieuwing (net als in Amstelveen) de oplossing zou betekenen, wordt die gezocht in uitbreiding. Gelukkig lijkt niemand dat laatste te willen financieren, zodat er uiteindelijk wel een andere keuze gemaakt MOET worden. En uiteraard wordt ook in Alphen aan den Rijn het Internet aangewezen als de grote boosdoener.

Retailers zijn hun eigen grootste concurrent
Beste lezers, ooit zei Ton Bos me dat ik te weinig rekening hield met de eigenwijsheid van kleine én grote ondernemers binnen de retailsector. Ze willen van alles, maar wel op hún manier. Het is precies die eigenwijsheid waardoor de retail hun klanten naar de webshop jaagt! Die sector groeit en bloeit helemaal niet door zichzelf, maar vooral omdat de gevestigde retailsector zich niet kán en wil aanpassen aan de nieuwe tijd!
Maar het zal in al die Nieuwjaarstoespraken wel weer anders verwoord worden!